Alles

AOf_20190523_Peize-0471-768x768

De wereld is gek geworden, dat weet je al heel lang. Het is het soort waarheid dat zijn bestaansrecht steeds opnieuw wil bewijzen en daar steeds overtuigender in slaagt. Je slaat de meeste uitzendingen van het Journaal over maar dat volstaat niet meer om de angst uit je systeem te houden. Decennia geleden, bij het opvoeden van je kinderen, bij het moeten aanzien van hun kwetsbaarheid, hielp het om de bekendste dichtregel van Lucebert dagelijks door je gedachten te laten gaan. Je hersenen betastten de woorden zoals de vingers van Boeddhisten de kralen van hun gebedsnoeren beroeren. Alles van waarde is weerloos. Het toelaten van de betekenis van die woorden was een daad van overgave. En de magische gedachte was dat je in ruil daarvoor hun bescherming afsmeekte. Maar de tijd heeft je een generatie opgeschoven. En als je dit kind onder je hoede hebt, is het onverdraaglijk om de haartjes in haar nek te zien opkrullen, de kuiltjes bovenop haar handje te zien indeuken als ze haar vingers naar je uitstrekt. Haar kwetsbaarheid heeft een verwoestende werking op je. Hoe heb je het zo gemakkelijk kunnen opvatten vroeger. Hoe heb je kunnen denken dat je je kinderen kon beschermen door zoiets stompzinnigs als een dichtregel. Het kwaad waart rond. Het gevaar is overal.
Haar voetje zoekt de eerste trede, je hand ondersteunt haar beweging. Met haar komst is alles aan het bestaan weerloos geworden. Alles.

Tekst Marjolein Scherphuis | Foto Alfred Oosterman

Verzet kent vele verschijningsvormen

AOf-20190920_Amsterdam-1906-1024x1024

Wellicht oordeelt de passant die het tafereel aanschouwt in stilte over een stuitend niet-weten. Of over vermeende onverschilligheid. Nog net iets erger. Onverschilligheid is een bewuste daad, die zich richt tegen compassie, tegen liefde. Niet snel zal worden bedacht dat er sprake zou kunnen zijn van een zelfgekozen manier van herdenken, domweg omdat het plaatje zich daar niet toe leent. Omdat onze normen ons vertellen dat herdenken om protocol vraagt. En daar hoort een voorgeschreven lichaamstaal bij. Herdenken gaat over het betuigen van respect. Over aandacht besteden aan grote moed en nog groter leed dat we een eerbare plek willen geven. De tijd heelt alle wonden, wordt gezegd, maar dat is niet waar. Monumenten zijn er om wonden open te houden, om verschrikkingen niet weg te laten zakken in vergetelheid. Om liefde niet te laten verworden tot onverschilligheid.

Tekst Marjolein Scherphuis | Foto Alfred Oosterman

Gezien worden

Rotterdam-0744-768x768.jpg

Passanten. Levens die elkaar net niet raken. Een kluwen figuranten, onopgemerkt door elkaar, samengebracht door het oog van de fotograaf. Om de ander niet in beeld te hebben, hoef je niet per se voorbijgangers te zijn. Ook in relaties komt het voor dat mensen elkaar niet zien. Niet echt. Al leef je samen, je gaat aan elkaar voorbij. Andersom gebeurt ook. Je raakt bij een bushalte in gesprek met een onbekende. Kort, want jouw bus komt aanrijden en daarmee is het moment voorbij. Toch heb je het gevoel dat alles wat er toe doet, is gezegd. Misschien is dat het grootste verlangen van de mens. Meer zijn dan een figurant. Geraakt worden door een ander leven. Gezien worden.

Tekst Marjolein Scherphuis | Foto Alfred Oosterman

Voordat de avond valt

AOf_20190731_Oslo-1630-1024x1024

Het duurt nog zeker een uur voordat de avond valt. Je vingers scrollen naar een naam die je nog niet hebt gehad. Het wordt steeds moeilijker want je vrienden praten onderling over je situatie. En het is niet jouw schuld en niemand zal ooit zeggen dat het jouw schuld is maar ze vinden je lastig worden, met je terugkerende vraag. Je hebt geleerd om je, als je beet hebt, zo geruisloos en onopvallend mogelijk door het huis van die ander te bewegen. Geen rommel maken, geen sporen achterlaten. In het begin durfde je nog te vragen of je een wasje mocht draaien, of in bad mocht. Daar ben je mee gestopt. De onnoembaar stroeve uitstraling van mensen die ja zeggen terwijl ze nee bedoelen is onverdraaglijker dan het dragen van kleding die naar vorige week ruikt. Je hersenen houden je in het moment, vooruitdenken is killing. Je stopt met scrollen als je de naam ziet van een meisje waar je bij in de klas zat op de middelbare school. Heb je haar niet eens geholpen toen ze werd gepest? Ja, dat heb je, zeker weten. Het was achterin het fietsenhok geweest. Een clubje jongens, en zij, alleen. Je probeert haar voor de geest te halen. Zij had bijzondere ogen, groen, met spikkels die vonkten als ze lachte. Ze had gelachen van opluchting toen jij haar uit haar benarde positie redde. En toen zag je die spikkels. Daarna heb je zoiets moois nooit meer bij iemand gezien. Je kijkt naar je vinger die boven haar naam in de lucht hangt.

Tekst Marjolein Scherphuis | Foto Alfred Oosterman

Vlinders

Alfred Oosterman 2019

Je hebt het heus wel gezien. Dat ze haar mooie jurk draagt, en haar hakjes. Haar haren heeft ze in het knotje dat eerder je bloed opstuwde omdat het haar hals en nek zo begeerlijk bereikbaar maakte. Ze is al een poosje aan het woord. Vertelt over de vlinders die weg waren maar terug zijn gekomen. Over haar spijt. Ze had het niet uit moeten maken met je. Ze wil je terug. Ben je niet blij? Je bedwingt je onrust door je armen over elkaar te houden en ze stijf op je bovenbenen te drukken. Je lichaam wil maar één ding: weg. En nee, je bent niet blij. Je hebt verdriet gehad toen ze je losliet. Je hebt ’s nachts klaarwakker naar het plafond liggen kijken, je afvragend hoe het verder moest. En na verloop van tijd verdween je angst en kwam je levenslust terug. Voor haar tien anderen. Je bent bij zeven blijven steken, maar het hielp wel. Je schaamt je niet, bent niet boos, voelt geen heimwee. Jij hebt geen spijt. Haar vlinders zijn de jouwe niet meer. Alleen, hoe zeg je zoiets?

Opgaan

AOf_20190904_Ede-1798-1024x1024

Ze zeiden het vroeger tegen je. Dat je zo in je omgeving kon opgaan, zeiden ze. Slappe kul was het. Een lafhartige manier om te zeggen dat je te afwachtend was, te verlegen. Je hebt er nooit iets op teruggezegd, je hebt op zulke momenten niet meer dan een schuchter glimlachje ingezet om die ongewenste aandacht te kunnen ondergaan. In je binnenwereld voelde je je vastberadenheid groeien. Jij wist precies wat je wilde. En je wist ook hoe je het zou gaan doen. Studeren, werken. En je bent gelukkig geworden, op jouw manier. In jouw leven is geen gemis en geen onvervuld verlangen. Gelukkig zijn betekent niet voor iedereen hetzelfde, dat wist je al vroeg. Je ziet het in de levens van anderen. Er wordt meer gezocht dan gevonden, als het om geluk gaat. Je gaat nooit in op de vragen van collega’s of kennissen. ‘Hoe doe jij dat toch? Ik wil wat jij hebt, ik wil ook gelukkig zijn.’ Je glimlacht en wacht tot het moment voorbij is. En niemand vertelt jou nog dat je te veel in je omgeving opgaat. Die tijd is voorbij.

Tekst Marjolein Scherphuis | Foto Alfred Oosterman

Wacht hier

20190721-Noorwegen-1336-1024x1024

‘Wacht hier’, zeiden ze. ‘We zijn zo terug. Wacht hier, en let op je broertje.’ Hoe lang is dat geleden? Volwassenen zeggen altijd maar wat. Jullie hebben de hele middag gelopen om de stad te zien en de benen van je broertje zijn te kort om nog verder te lopen. Dat zeiden ze. Je weet dat het niet waar is, zijn benen zijn even lang als vanochtend maar je broertje zelf is veranderd van een vrolijk huppelende jongen in een dreinend sujet. Hij kan niet meer lopen, wil niet meer lopen, hoeft niet meer te lopen. Je ouders zijn de auto halen. En jij mag het opknappen. Zo gaat het altijd. Hoe lang zijn ze al weg? Het is gaan regenen, natuurlijk is het gaan regenen. Ze zullen boos worden omdat je je broertje in de stromende regen op de stoep laat zitten. Van natte kleren kun je reuma krijgen. Je hebt geen zin om er iets van te zeggen. Je hebt geen zin in ruzie. Want ruzie is uiteindelijk altijd jouw schuld. Was je maar niet de oudste. Alsof jij hier wilt staan, alsof jij niet liever in de auto zat die nu vast en zeker naar jullie onderweg is. Wacht hier. Het joch beneden je zucht. Je hoort hoe zijn adem hortend een weg naar buiten zoekt. Zo klinkt hij voordat hij gaat huilen. Wacht hier en let op je broertje. Je wilt ergens tegenaan schoppen. In plaats daarvan leg je je hand op zijn drijfnatte capuchon. ‘Ze komen zo’, zeg je, en je doet je best om je stem zo volwassen mogelijk te laten klinken.

Tekst Marjolein Scherphuis | Foto Alfred Oosterman