Vlinders

Alfred Oosterman 2019

Je hebt het heus wel gezien. Dat ze haar mooie jurk draagt, en haar hakjes. Haar haren heeft ze in het knotje dat eerder je bloed opstuwde omdat het haar hals en nek zo begeerlijk bereikbaar maakte. Ze is al een poosje aan het woord. Vertelt over de vlinders die weg waren maar terug zijn gekomen. Over haar spijt. Ze had het niet uit moeten maken met je. Ze wil je terug. Ben je niet blij? Je bedwingt je onrust door je armen over elkaar te houden en ze stijf op je bovenbenen te drukken. Je lichaam wil maar één ding: weg. En nee, je bent niet blij. Je hebt verdriet gehad toen ze je losliet. Je hebt ’s nachts klaarwakker naar het plafond liggen kijken, je afvragend hoe het verder moest. En na verloop van tijd verdween je angst en kwam je levenslust terug. Voor haar tien anderen. Je bent bij zeven blijven steken, maar het hielp wel. Je schaamt je niet, bent niet boos, voelt geen heimwee. Jij hebt geen spijt. Haar vlinders zijn de jouwe niet meer. Alleen, hoe zeg je zoiets?

Advertenties

Opgaan

AOf_20190904_Ede-1798-1024x1024

Ze zeiden het vroeger tegen je. Dat je zo in je omgeving kon opgaan, zeiden ze. Slappe kul was het. Een lafhartige manier om te zeggen dat je te afwachtend was, te verlegen. Je hebt er nooit iets op teruggezegd, je hebt op zulke momenten niet meer dan een schuchter glimlachje ingezet om die ongewenste aandacht te kunnen ondergaan. In je binnenwereld voelde je je vastberadenheid groeien. Jij wist precies wat je wilde. En je wist ook hoe je het zou gaan doen. Studeren, werken. En je bent gelukkig geworden, op jouw manier. In jouw leven is geen gemis en geen onvervuld verlangen. Gelukkig zijn betekent niet voor iedereen hetzelfde, dat wist je al vroeg. Je ziet het in de levens van anderen. Er wordt meer gezocht dan gevonden, als het om geluk gaat. Je gaat nooit in op de vragen van collega’s of kennissen. ‘Hoe doe jij dat toch? Ik wil wat jij hebt, ik wil ook gelukkig zijn.’ Je glimlacht en wacht tot het moment voorbij is. En niemand vertelt jou nog dat je te veel in je omgeving opgaat. Die tijd is voorbij.

Tekst Marjolein Scherphuis | Foto Alfred Oosterman

Wacht hier

20190721-Noorwegen-1336-1024x1024

‘Wacht hier’, zeiden ze. ‘We zijn zo terug. Wacht hier, en let op je broertje.’ Hoe lang is dat geleden? Volwassenen zeggen altijd maar wat. Jullie hebben de hele middag gelopen om de stad te zien en de benen van je broertje zijn te kort om nog verder te lopen. Dat zeiden ze. Je weet dat het niet waar is, zijn benen zijn even lang als vanochtend maar je broertje zelf is veranderd van een vrolijk huppelende jongen in een dreinend sujet. Hij kan niet meer lopen, wil niet meer lopen, hoeft niet meer te lopen. Je ouders zijn de auto halen. En jij mag het opknappen. Zo gaat het altijd. Hoe lang zijn ze al weg? Het is gaan regenen, natuurlijk is het gaan regenen. Ze zullen boos worden omdat je je broertje in de stromende regen op de stoep laat zitten. Van natte kleren kun je reuma krijgen. Je hebt geen zin om er iets van te zeggen. Je hebt geen zin in ruzie. Want ruzie is uiteindelijk altijd jouw schuld. Was je maar niet de oudste. Alsof jij hier wilt staan, alsof jij niet liever in de auto zat die nu vast en zeker naar jullie onderweg is. Wacht hier. Het joch beneden je zucht. Je hoort hoe zijn adem hortend een weg naar buiten zoekt. Zo klinkt hij voordat hij gaat huilen. Wacht hier en let op je broertje. Je wilt ergens tegenaan schoppen. In plaats daarvan leg je je hand op zijn drijfnatte capuchon. ‘Ze komen zo’, zeg je, en je doet je best om je stem zo volwassen mogelijk te laten klinken.

Tekst Marjolein Scherphuis | Foto Alfred Oosterman

Of je

AOf_20190423_Groningen-0293-768x768

Zo-even raakte haar adem jouw gezicht. Bij het hospiteren is ze je opgevallen, zeker, maar je was te druk met het voorgeschreven jezelf zijn om al te zeer op de anderen te letten. En toen je de kamer kreeg was je uitzinnig blij, maar vooral omdat je de kamer kreeg en verder dacht je op dat moment nergens over na. En ja, het viel je op dat ze steeds in de buurt van je kamerdeur was. Of je thee wilde. Of je hulp nodig had. Of je de stad al kende. Ze vlinderde voor je uit toen jullie het huis verlieten en jij luisterde naar alle nieuwe geluiden – jullie voetstappen op de trap, het dichtslaan van de zware voordeur en je besefte dat je je niet eerder zo bewust was van gezamenlijke geluiden. Haar donkere haar hangt langs haar wang, als een vlag op een windstille dag, en je vraagt je af of het te vroeg is om haar te kussen, of er regels zijn die voorschrijven dat je daar misschien nog mee moet wachten.

Tekst Marjolein Scherphuis | Foto Alfred Oosterman

 

De stad, de stad

AOf_20190524_Eefje_s-Hertogenbosch-0716-768x768

De stad is er al honderden jaren, de verzameling gebouwen getuigt zwijgend van tijd die verloren ging, levens die onopgemerkt passeerden. Zoals jij hier ongezien fietst – met je wild kloppende hart, je razende bloed, je oververhitte hersenen. Je bent te laat. Je komt straks bezweet aan en je zult de hele dag achter jezelf aan blijven lopen. Je zou ook eens op tijd kunnen vertrekken en jezelf een gevoel van kalmte kunnen bezorgen. Beheerste kalmte. De tranen prikken, je vloekt hardop. Het deert de stad niet. Ooit gebouwd door mensenhanden, maar voorgoed onaantastbaar waar het de gevoelens, gedachten en het gedrag van diezelfde mensen betreft. Zolang er geen sloophamer in beeld komt, of bommen uit vliegtuigen vallen, is de stad de stad. Een stil decor waarin jouw kleine leven niet meer is dan een voorbijtrekkende schaduw. Je buigt je verder voorover, duwt nog harder op de pedalen in een poging de tijd te verslaan.

Tekst Marjolein Scherphuis | Foto Alfred Oosterman

Ballast

AOf_20190524_Eefje_s-Hertogenbosch-0757-1024x1024

Je hoort ze dagelijks in je hoofd. De wetten waarmee je bent grootgebracht. Niet met lege handen naar de keuken. Niet met lege handen de trap op. Niet met lege handen waar dan ook naartoe. Ze spelen zichzelf af als een grijsgedraaide elpee op een platenspeler met een krakende naald. Altijd de pot omspoelen met heet water voor je thee zet. Je servet met kleine bewegingen uitvouwen voor je het op schoot drapeert. Je bestek van buiten naar binnen gebruiken. Je krijgt die innerlijke stem niet stil. Vanaf het moment dat je wakker wordt tot het moment dat je in slaapt valt krijg je de eisen die het bestaan aan je stelt, verpakt in zogenaamd goedbedoelde adviezen, om je interne oren geslingerd. Begrijpend knikken als je naar iemand luistert. Ouderen altijd voor laten gaan. Nooit zonder make-up de deur uit. Soms helpt het om veel wijn te drinken. Of een vette joint op te laten volgen door nog een vette joint. Maar als je dan midden in de nacht met hevige dorst wakker wordt, en heel even niet weet waar je bent, gaat de stem genadeloos door waar-ie was gebleven. Nooit je vuile was buiten hangen. De kleur van je schoenen laten matchen met de kleur van je handtas. Altijd op moeiteloze wijze geluk uitstralen. Aan sommige van de wetten kun je voldoen, zij het dat je tandenknarsend je theepot omspoelt met kokend water. Je bent het een ritueel gaan noemen om er nog iets van eigenheid aan toe te kennen. In andere verslik je je. Want liever liep je hier met lege handen.

Tekst Marjolein Scherphuis | Foto Alfred Oosterman

Hond

AOf_20190524_Eefje_s-Hertogenbosch-0727-768x768

Je loopt er dagelijks langs met de hond. En ongewild denk je iedere dag hetzelfde. Je bent het er niet mee eens. Om te beginnen had het gedicht Stilte moeten heten, in plaats van Vogel. En verder had het niet geschreven moeten worden, niet op deze manier. Want het is niet waar dat een vogel geen geluid maakt. De vleugels van een vogel verplaatsen lucht en luchtverplaatsing maakt geluid. Misschien niet veel geluid, maar toch. Je begrijpt dat de dichter zijn verbazing wil uitspreken over het vermogen van vogels om te vliegen, om te zweven. En waar zweefvliegtuigen dat ten opzicht van gemotoriseerd vliegverkeer ogenschijnlijk geruisloos doen, maakt ook dat geluid. Dus het klopt niet. En dat stoort je. Iemand heeft de moeite genomen het gedicht op een muur te schilderen. Dat maakt het erger. Als het bij een handgeschreven versie op een kladblaadje was gebleven was het te overzien geweest. Nu staat er in koeienletters onzin op een muur gekalkt. Onzin die door de meeste mensen voor waar wordt aangezien. Want zo gaat dat. Wie hard schreeuwt, wordt geloofd. Je hebt het wel eens aangekaart, thuis. Maar daar is niemand geïnteresseerd in je betoog. Daar is om te beginnen niemand geïnteresseerd in het gedicht, laat staan in het bestaansrecht ervan. Je bent over het gedicht begonnen bij je lerares Nederlands en die nam je het woord af en roemde het gemeentelijke beleid om poëzie af te beelden in de stad. Nu erger je je twee keer aan het gedicht. Omdat het onwaar is en omdat het je eenzaam maakt. Soms word je boos op de hond. Vanwege het uitlaten. Je denkt erover een gedicht te schrijven met die titel. Hond.

Tekst Marjolein Scherphuis | Foto Alfred Oosterman