Eikel

‘Je hoeft niet in een boom te hangen om een eikel te zijn.’ Zulke dingen zeg je graag. Je praat met luide stem. Wie hard praat staat altijd met 1 – 0 voor. Kom daar nog maar eens overheen. Je voelt je sterk als je met je maten bent en zij niet meteen hun antwoord klaar hebben. Flats. Ze kijken naar jou als er in de kroeg iets gebeurt waar ze zich geen raad mee weten. Als een meid wegkijkt na een grap, als ze niet lacht terwijl ze wel zou moeten lachen. Als ze niet reageert op hun opmerkingen. Of een stap achteruit doet als ze om haar heen drommen, haar aanstoten. Zo’n totaal gebrek aan medewerking is ontoelaatbaar. Bam. Je maten vertrouwen erop dat jij weet wat er moet gebeuren. Ze gaan ervan uit dat jij het snapt. Het. Alles. Je hebt jezelf aangeleerd om op zo’n moment je ogen open te sperren, alsof je het schouwspel dat zich voor je neus afspeelt voor het eerst ziet, en dan naar zo’n kind toe te lopen. Ook al is zo’n stoot soms groter dan jij bent, je kijkt haar toch vanuit de hoogte aan, je geeft haar het gevoel dat ze minder is. En dan zeg je iets, het maakt niet uit wat, als het maar hard is. Je maten lachen zich rot, ze grijpen elkaar bij de arm, slaan hun handen blauw op de bar. Zo’n meid druipt af. En jij bent de man. Jij bent de man.

Zonder zonde

De rivier ligt er koud en glanzend bij. Het water stroomt op de besliste wijze die grote rivieren kenmerkt, elke druppel in stelling gebracht voor een tocht die steeds opnieuw wordt afgelegd. Een aards stelsel van stenen en uitgesleten kleiplateaus vormt het langgerekte parcours waarbinnen het water doet wat het al sinds het begin der tijden doet: naar het laagste punt stromen. Loofbomen en laaggroeiende struiken vormen het decor waarbinnen het zilveren lint zich afwikkelt. Op deze plek is de rivier al breed. Verderop, waar zij de landsgrens oversteekt, zal ze nog verder verbreden en via laagland uitmonden in zee.
Hoe het kan dat sommige gedeeltes in de watermassa sneller stromen dan andere, hij weet het niet. Het verklaart de contrasten van licht en donker, snelheid en ogenschijnlijke stilstand, en waar de rivier op hem een kalmerende werking heeft kent hij ook de verraderlijkheid van het krachtige water waartegen je spieren noch je lichaamstemperatuur lang bestand zijn.
Hij komt overeind uit zijn gehurkte houding, waarin hij met zijn armen stijf om zich heen geslagen zat – zijn benen prikken, zijn armen prikken, alles prikt.
De picknickende stelletjes en gezinnen hebben het toneel van het rivierstrandje verlaten. Vanaf zijn plekje in de uiterste hoek, waar het zand overgaat in de met groen bezaaide oever ziet hij alleen nog een vrouw. Ze draagt een witte opbollende blouse en een strakke rode rok. Ze vouwt met grote precisie een kleed op en hoewel de afstand tussen hen groot is, ziet hij dat zij het soort schoonheid bezit die slechts enkelen gegund is. Hij leest het af aan de zelfverzekerde bewegingen waarmee ze een grote rieten mand inruimt en aan het gebaar waarmee ze haar lange donkere haren in een rol in haar nek schikt. Haar ellebogen steken vrij naar buiten, haar handen bewegen sierlijk rondom haar hoofd. Ze bedwingt het dikke haar met een speld die ze tussen haar tanden geklemd hield. Haar lange bruine benen staan een beetje uit elkaar, haar rechter heup is scheef naar hem toegericht.
Om haar heen spelen kinderen. Ze doen tikkertje en de vrouw legt hen geen strobreed in de weg, ondanks het fijne zand dat opwaait door de snelle bewegingen van hun voeten. Dan is ze klaar met de voorbereidingen voor hun vertrek. Ze wrijft even met haar polsen over haar platte buik en heupen als om haar kleding te fatsoeneren – zo’n gebaar zag hij nooit eerder – en klapt dan in haar handen. Het geluid bereikt met een kleine vertraging zijn oren. Zij zijn met elkaar de laatste mensen op het strand.
Nu roept ze de kinderen, die niet op haar eerste signaal hebben gereageerd. Haar heldere stem klinkt vriendelijk en hij is verbaasd, meestal zijn Fransen niet zo ontspannen in de omgang met hun nakomelingen. Ze vertrekken, de vrouw voorop. Zij draagt de mand. De kinderen rennen wild om haar heen, een van hen botst tegen haar aan en hij hoort haar schaterlach, ziet hoe haar vrije hand het kind geruststellend over het hoofd aait. Ze lopen door, in de richting van de begroeiing waarachter hij de parkeerplaats weet.
Vlak voordat het troepje in de bosschages verdwijnt, kijkt de vrouw nog eenmaal om, zoals alleen moeders dat doen. Dan gaat haar aandacht terug naar de in vrolijke ganzenpas lopende kinderen. Nog even hoort hij hun stemmen speels kibbelen. Dat gaat ongetwijfeld over wie voorin mag zitten, wie in het midden, wie bij het raam. Dan volgt het geluid van de aanslaande motor van de auto en daarna wordt het stil.
Hij kijkt weer naar het water dat zonder blijk van herkenning terugkijkt. Het licht is nog aarzelend aanwezig. Hoe kan het dat de vrouw hem niet heeft opgemerkt? Is hij onzichtbaar geworden in de uren dat hij hier bewegingsloos heeft gezeten? Maakte hij in haar ogen deel uit van de entourage van de rivier? Zag zij hem aan voor een boomstronk, een menhir, een hoop stront wellicht? Hij stampt met zijn voeten op de grond om zijn bloed weer aan het stromen te krijgen. Zijn armen slaat hij wild uit, zijn handen flapperen als gemankeerde vleugels.

Hij moet terug, hij is al veel te lang weg, maar hij kan het niet. Nog niet. Hij raapt een grote gladgeslepen riviersteen op en gooit deze met alle kracht die hij bezit in de richting van het water. De harde tjoemp waarmee de steen in de koudglanzende rivier verdwijnt troost hem, gek genoeg. Haastig zoekt hij naar meer stenen, het zand voelt nu kil aan. Hij gooit systematisch; méér en harder en verder – TJOEMP, TJOEMP, TJOEMP.
Hij merkt dat hij huilt, dan hoort hij zichzelf schreeuwen. Het geluid van zijn stem weerkaatst tegen het harde wateroppervlak van de rivier die onaangedaan aan hem voorbijstroomt, op weg naar het laagste punt.

Groningen

Je rijdt over een binnenweg die door een in strenge voren geploegde leegte meandert. De horizontaliteit van het landschap wordt onderbroken door een boom – een door de oostenwind afgekloven kruin op een scheefgewaaide stam. Op een van de knokige takken kijkt een raaf met hoge schouders de lente uit de lucht.

maandag

Nu zij er niet meer is, worden haar spullen verdeeld. Op de foto’s die aan je zijn gemaild, is de fauteuil waarin zij haar boeken las een eenzame, afgeleefde stoel geworden. In de soepkommen van haar servies, op elkaar gestapeld voor de foto, zie je de zondagse soep van veertig jaar geleden bewegen onder de aanraking van je lepel. Zo gaat het dus. De samenhang tussen de voorwerpen waarmee je je omringt, valt weg als je sterft. Je wordt gemist in wat er over blijft.

donderdag

Een nonnenbocht. Zo noemde je vader de afrit van het klaverblad. Een met nonnen volgestouwde Daf nam tergend traag de scherpe bocht. Jullie bleven met het hele gezin, scheefgezakt in de Simca van je vader, achter de nonnen hangen. Hij stoorde zich niet aan de vertraging, hij lachte erom. En liet daarna geen kans onbenut om het woord te gebruiken. ‘Opgelet, we naderen een nonnenbocht.’ Jullie gingen vast scheef zitten en joelden in de bocht die hij sinds de nonnen steevast te snel nam.
De bocht in een klaverblad is voorgoed een nonnenbocht. Je kinderen gebruiken het woord ook, al hebben ze de herinnering slechts in woorden overgeleverd gekregen. Dat heb je dan toch maar mooi bereikt. Je geeft gas in de bocht, je kinderen joelen. Jij ziet de witte kuifjes op de zwart ingezwachtelde hoofden van de nonnen en de opstaande achterlichten van de Daf.

Facades

zondag

De glimmende theepot op de keukentafel weerspiegelt jouw beeltenis in het decor van een lege kathedraal. Niet eerder kwam je zo snel en zonder hindernissen in Barcelona aan. In het hart van de stad nog wel, de basiliek van de Sagrada Família. Ben jij de enige vrome vandaag? Je laat je op een kerkbank zakken, legt je hoofd in je nek en kijkt naar het licht. Het stroomt de kerk binnen, vermengd met de kleuren van bonte raamschilderingen. De witte kolommen die het dak van de kathedraal dragen zijn enorm, het is alsof je recht in het blootgeschraapte karkas van een reusachtig voorwereldlijk dier kijkt. Je wendt je blik af en staat op. Een korte reis door een bijna voltooid verleden.

Gap

De dagen voorafgaand aan de reis eet ze niet. Ze wast haar jurkje in de gootsteen en hangt het te drogen op het kleine balkon. Bij het strijken van de fliebelige stof denkt ze minutenlang nergens aan. Onderweg naar de Franse Alpen eten ze stokbrood met kaas, op een terras pal aan de Route National. Het stinkt er naar uitlaatgassen.
Als ze naar het toilet loopt, voelt ze dat hij haar nakijkt. In Montreux gaan ze uit – ze draagt een galajurk die hij eerder die dag voor haar kocht. Op haar nieuwe hakken is ze langer dan hij, vlak voordat ze het restaurant binnengaan steekt ze haar arm door de zijne. De maaltijd is van een onbegrijpelijk soort. Ze verlangt terug naar het terras en naar haar jurkje. Ze overnachten in een hotel naast een spoorbaan en blijven vreemden voor elkaar. In Gap staat hij op het balkon van de kamer, zij zit op een bankje op het plein en doet alsof ze leest. Ze kijkt naar de huid van de platanen. Gap ligt omsloten door hoge bergen, het is een eindpunt.
Thuisgekomen zit ze aan de keukentafel. Haar telefoon gaat, ze kijkt naar zijn nummer tot het van het scherm verdwijnt. Aan het aanrecht maakt ze een beker oploskoffie die ze staand opdrinkt. Wanneer ze haar ogen sluit, voelt ze de snelle schaduwen van de bomen langs de Route National over haar gezicht glijden.