Ergens anders

bootje

De dag dat je het bootje kocht was je gelukkig. Je gedachten waaierden uit in alle richtingen over de mogelijkheden die het kleine vaartuig je verschafte. Voortaan zou je, als je het even niet meer wist, gewoon de motor aanslingeren en wegvaren. Iets wat met een woonark niet lukt, want een woonark is geen schip, zo heeft de tijd je geleerd. Het is een drijvend huis dat aan de ketting ligt. Maar nu, met dit wendbare bootje, zou je wanneer je maar wilde kunnen uitvaren naar iets nieuws en onbekends dat in de verte op je wachtte. Tegenwoordig sta je steeds vaker met je handen in je zakken te kijken naar waar dat nieuwe en onbekende dan precies is. Want alle keren dat je er naar op weg was, vond je het niet. Het is de realiteit die je al zo vaak in je gezicht gedrukt kreeg. Hoeveel moeite je ook doet: het is nooit waar jij bent, het is altijd ergens anders.

Tekst Marjolein Scherphuis | Foto Alfred Oosterman
Advertenties

Uit

Uit - Foto Alfred Oosterman - Tekst Marjolein Scherphuis

Ze staan er al een poosje. Hun verschijning heeft iets weg van een filmscène waarover de regisseur vooraf heeft gezegd dat ze deze zo verinnerlijkt mogelijk moeten spelen. Zij kijkt naar de grond, hij kijkt naar een punt in de verte en jij kijkt weg, omdat je het schurende tussen hen niet langer aan kunt zien.
Natuurlijk dwalen je ogen weer terug naar het paar dat als wassen beelden staat te wachten op de rest van hun leven. En natuurlijk ga je het invullen. Hij maakte het zojuist uit. Of wacht – misschien was zij het, en is het daarom dat hij, overlopend van gekrenkte trots, zo bars in de verte kijkt. Of nee, hij was het – hij sprak zojuist op zachte toon de wrede woorden die nu eenmaal horen bij de aankondiging van een onomkeerbaar afscheid. Haar gebogen hoofd verraadt de slag die haar zojuist is toegediend. Of, of, of …
Je zucht en schuifelt met je voeten, alsof die al lopen en je lichaam er alleen nog maar achteraan hoeft te bewegen. Weg wil je, weg van dit uitzicht op verlies. Want het is uit, zoveel is duidelijk.

Tekst Marjolein Scherphuis | Foto Alfred Oosterman

In een gat

in een gat

Je staat zo diep dat je omhoog moet kijken om de wereld te zien. Alsof je een kind bent. Het is koud en smerig weer en je ontkomt niet aan de vraag hoe je in dit gat terecht bent gekomen. Je kon vroeger aardig zingen. Op verjaardagen werd je naar voren geschoven. Je zong De Vlieger van Hazes en tante Hilda zocht steevast in haar tas naar haar zakdoek als je het refrein inzette.
‘Ik heb hier een brief, aan mijn moe-hoeder …’
De hele kamer voorspelde je een zekere toekomst op een groot podium, ze stootten elkaar aan en roemden je kwaliteiten waarna een nieuw rondje jonge klare – en voor de dames een glaasje bessen – werd ingeschonken en je verloren op een keukenstoel je voeten boven de grond liet wiebelen tot de laatste oom zich wankelend door de gang naar de voordeur begaf en het feest voorbij was.
Het liep anders. Alle ooms en tantes zijn samen met hun rotsvaste geloof in jouw toekomst opgeborgen in een geluidloze verpleeghuiskamer of een eenzaam graf. Wat rest is de werkelijkheid. Je hebt publiek, zoveel is dan toch gelukt. Mensen houden ervan om te kijken naar graaf- en bouwwerkzaamheden, liefst met hun handen in de zakken en een stevige laag stuurlui-commentaar op de lippen. Je hebt nooit een brief aan je moeder geschreven. Ze was al dood toen je destijds De Vlieger zong. En nu je volwassen bent, weet je dat tante Hilda huilde om zichzelf, om de zuster die ze kwijt was, niet om jou. Het leven is hard en mooi. Maar vooral hard.

Tekst Marjolein Scherphuis | Foto Alfred Oosterman

Grote Markt

groningen-4082-1024x1024

Het plein is groter dan ooit. Een koude wind snijdt in de hand waarmee hij zijn stok vasthoudt. Ik geef je gezellig een arm, zei zijn dochter. Ze weten allebei dat ze hem ondersteunt. Wanneer is hij oud geworden? Hij kan het zich niet herinneren. Ze zijn onderweg naar Huis de Beurs. Koffie met appelgebak en voor hem schenkt de student die voor ober speelt straks een jonge in. Daarvoor neemt hij het glaasje en de fles mee naar hun tafeltje, zoals het hoort. Hij kijkt uit naar de warmte, het geroezemoes. Aan zijn arm vertelt zijn dochter. Over haar gezin, haar man, de hond. Hij luistert wel maar hij luistert niet echt. Achter zijn ogen speelt zich de film af waarin zij een klein meisje is en hij een sterke vent. Hij gooit haar in de lucht en vangt haar op. Ze schatert het uit. Hij is het kwijtgeraakt. Ergens in de tijd is het verloren gegaan. Ze zijn bijna aan de overkant. Dan nog de Vismarkt, dan het klingeltje van de deur, dan zitten. Kijken naar de levens van anderen. Aan de terugweg denkt hij nog niet. Die komt vanzelf.

Tekst Marjolein Scherphuis | Foto Alfred Oosterman

Borrelen

groningen-6954-768x768

Oma noemde het een heus avontuur en daar lachte je om, maar je voelde diep van binnen een nieuw soort angst borrelen. Het hospiteren was een crime, je hebt je er doorheen gebluft met de tips van je zus. Keurig handjes geven, ook aan de andere hospitanten, laten zien dat je sociaal bent, oogcontact maken, leuk doen maar niet té leuk, jezelf zijn, maar dan wel de meest ultieme versie van jezelf en hoe dan ook cool blijven. Niemand heeft je roffelende hart en de triller in je stem opgemerkt. Ook op de wekelijkse huisborrel ben je cool. Je zit cool, je zegt coole dingen en neemt coole slokjes uit je wijnglas. Heel soms verlang je naar de bejaardenflat van oma, waar het fijn stil is, waar je de klok kunt horen ademhalen voordat-ie slaat. Waar je in je pyjama ondersteboven op de bank kunt hangen en waar je niet leuk hoeft te doen. Waar je gewoon bént zonder iemand te hoeven zijn. Maar je houdt dat verlangen voor je en richt je aandacht op het borrelen.

Tekst Marjolein Scherphuis | Foto Alfred Oosterman

Zwaar weer

urk-9154-1024x1024

Urk. Voormalig eiland in de Zuiderzee. Het in vervlogen tijden aanleggen van de dijk noch het droogmalen van de Noordoostpolder heeft het eilandgevoel van de Urkers aangetast. Een kleine gemeenschap, met een eigen dialect, een eigen volkslied en met de  grootste vissersvloot van Nederland. De donkere wolken die zich boven de fietsende man samenpakken, lijken op hem geen indruk te maken. Een Urker is zwaar weer gewend. De man heeft zo te zien de verlokking van het café weerstaan. Hij oogt als een man met een missie, verslaat het vals plat en met de hand van God in de rug zal hij zeker aankomen waar hij is bedoeld te zijn.

Tekst Marjolein Scherphuis | Foto Alfred Oosterman

 

 

Met je paraplu

dstv-clubkampioenschap-5k-8951-1-1024x1024

Je voelde vanochtend de opwinding, tijdens het ontbijt en vooral erna toen hij aandachtig zijn spullen bij elkaar legde. Hoe stiller hij wordt, hoe spannender hij het vindt. ‘Het weer werkt niet mee.’ Echt een opmerking van je moeder. Alsof hij zich laat verslaan door de wind of de regen. Hij is sterk, gelooft in zichzelf. Zo wil jij ook worden. Blijven lopen, onverstoorbaar, je blik gericht op de finish. Je vader zegt dat je de finish achter je ogen moet zien, juist als je dat in het echt nog niet kunt. Je moet je voorstellen hoe je je zult voelen als je er doorheen gaat. Winnen van jezelf. Doen wat je je had voorgenomen. Zo eenvoudig is geluk. Je moeder heeft het niet bij woorden gelaten. Ze fietst met hem mee, luistert naar zijn zwijgende ademhaling, het ritmische geluid van zijn voeten. In de verte zien je ouders eruit als een team. Ze zijn er bijna, want jij staat bij de finish. Met je paraplu.

Tekst Marjolein Scherphuis | Foto Alfred Oosterman