Naar Nijmegen

Volle wegen, bumperklevers, snijders – zeker.
En ook een vlucht ganzen boven de blauwgeverfde IJssel,
zacht licht in de stil verkleurende bomen
op de wildwissel voorbij Apeldoorn
en een glimlach van een leuke meneer in een Volvo cabrio.
Ik ben geen klager, mij hoor je niet.

Advertenties

Uitgezwaaid

Je hebt hem uitgezwaaid. Hij wilde het niet. Met zijn schorre stem, die soms de hoogte inschiet en dan overslaat, sprak hij zijn verbod uit. ‘Niemand wordt uitgezwaaid, ik wil niet voor lul staan.’ Je hebt gezwegen en geglimlacht en toen hij zijn woorden herhaalde, en kracht bijzette door het volume van zijn stem op te schroeven, heb je gezegd wat je altijd zegt in dit soort situaties. ‘We kijken even hoe het loopt, goed?’
Hij was vanochtend vóór jou wakker. Je hoorde hem mompelen. ‘Paspoort, telefoon, telefoonlader, eten, water.’ Wat hij eten noemt, noem jij snoep. Maar het geeft niet. Ze zijn maar eenmaal jong. Je hebt thee voor hem gemaakt en een boterham met jam voor zijn neus gezet en geluisterd hoe hij vertelde over Berlijn en hoe het er daar aan toe gaat. Je hebt instemmend geknikt en bij het afruimen streek je schijnbaar achteloos met de rug van je hand over zijn wang. Hij trok zijn hoofd niet weg.
In de auto was het stil. Op straat was niemand, zes uur in de ochtend is te vroeg voor mensen die niet op schoolreis gaan. Bij de bus stond een groep kleumende ouders. De open laadklep van de touringcar toonde een verzameling gekleurde rolkoffertjes. Er gaan ook meisjes mee, dat drong op dat moment tot je door. Je droeg zijn koffer, stouwde het ding in het bagageruim en hij liet het toe. De slaapgezichten van de andere ouders maakten je vrolijk, je houdt van die kwetsbaarheid, van dat op een haar na instortende beeld van perfectie. Hij gaf je een zoen. ‘Dag, mam.’ Je hield je laatste-wijze-raad-opmerkingen voor je. In plaats daarvan gaf je hem een plagerige duw. ‘Doe normaal’, zei hij, maar hij glimlachte en gaf je nog een zoen.
Toen je de parkeerplaats afreed, belandde je in een choreografie van uitparkerende en wegrijdende auto’s. Thuis drink je zijn beker leeg. De thee is lauw geworden.

Ik kom terug

Je hebt gezegd dat je terug zou komen. ‘Ik kom terug’, zei je. En toen: ‘Maak je geen zorgen.’ Van die laatste zin heb je spijt. Want eigenlijk wist je op dat moment al beter. Het is met gevoelens van spijt net als met goede voornemens, ze komen te laat.
Je hebt je best gedaan. Nog zeker een week nadat je je belofte deed, maakte je jezelf wijs dat je gevoel zou veranderen. Op een ochtend zou je wakker worden en merken dat de reset waarop je vurig hoopte plaats had gevonden. Maar in werkelijkheid drijf je steeds verder af. Eerst somde je nog de redenen op die rechtvaardigen dat je afstand neemt, inmiddels dobber je op het opgeluchte gevoel dat het over is. Met zo nu en dan die steek van spijt. Weggaan voelt als verraad. Het duurde twee weken om te bedenken dat loyaliteit aan de ander strijdig kan zijn met loyaliteit aan jezelf. Je vraagt je af hoeveel weken je laatste woorden nog zullen klinken in de oren van de ander.

Ganzen

De oudsten laten zich terugzakken in de groep, ze worden afgelost. Hun vleugelbewegingen vertragen. Ze rusten tijdens het vliegen, benutten de opstijgende wervelingen die de middengroep voortbrengt.
Ze hebben hun broedplaats in het Noordpoolgebied achter zich gelaten, nu glijdt het landschap van hun bestemming onder hen door, veelvormig en kleurig – groen en blauw van graslanden en meren, afgewisseld met bruin en grijs waar steden opdoemen. Overdag vinden ze voedsel in de graslanden, ‘s nachts bieden de meren en rivieren een veilige slaapplaats.
Voor hen licht de hemel op, een weerkaatsing van zonlicht in water. De rivier. Even is er verwarring in de gelederen, de groep zwenkt, de oudsten waarschuwen met schelle keelgeluiden. Ze herpakken zich.
De uiterwaarden zijn volgelopen, bomen staan vastgepind in het snelstromende water. Het rood van de spoorbrug steekt af tegen een grijze lucht. De daling wordt ingezet, de groep landt op een eiland in de rivier. Daar verspreiden ze zich, eten met kortaffe bewegingen van het gras. Het geluid van metaal op metaal wordt hoorbaar. Een langgerekte strook geel beweegt zich met hoge snelheid tussen de rode spijlen van de spoorbrug. Even is het geluid van de trein allesoverheersend.
Ze stijgen op, hervinden hun koers. In de verte loopt het water van het IJsselmeer stroperig over in de koelgrijze hemel. Beneden hen beweegt de trein zich vastberaden voort, in de richting van het noorden.

Eikel

‘Je hoeft niet in een boom te hangen om een eikel te zijn.’ Zulke dingen zeg je graag. Je praat met luide stem. Wie hard praat staat altijd met 1 – 0 voor. Kom daar nog maar eens overheen. Je voelt je sterk als je met je maten bent en zij niet meteen hun antwoord klaar hebben. Flats. Ze kijken naar jou als er in de kroeg iets gebeurt waar ze zich geen raad mee weten. Als een meid wegkijkt na een grap, als ze niet lacht terwijl ze wel zou moeten lachen. Als ze niet reageert op hun opmerkingen. Of een stap achteruit doet als ze om haar heen drommen, haar aanstoten. Zo’n totaal gebrek aan medewerking is ontoelaatbaar. Bam. Je maten vertrouwen erop dat jij weet wat er moet gebeuren. Ze gaan ervan uit dat jij het snapt. Het. Alles. Je hebt jezelf aangeleerd om op zo’n moment je ogen open te sperren, alsof je het schouwspel dat zich voor je neus afspeelt voor het eerst ziet, en dan naar zo’n kind toe te lopen. Ook al is zo’n stoot soms groter dan jij bent, je kijkt haar toch vanuit de hoogte aan, je geeft haar het gevoel dat ze minder is. En dan zeg je iets, het maakt niet uit wat, als het maar hard is. Je maten lachen zich rot, ze grijpen elkaar bij de arm, slaan hun handen blauw op de bar. Zo’n meid druipt af. En jij bent de man. Jij bent de man.

Zonder zonde

De rivier ligt er koud en glanzend bij. Het water stroomt op de besliste wijze die grote rivieren kenmerkt, elke druppel in stelling gebracht voor een tocht die steeds opnieuw wordt afgelegd. Een aards stelsel van stenen en uitgesleten kleiplateaus vormt het langgerekte parcours waarbinnen het water doet wat het al sinds het begin der tijden doet: naar het laagste punt stromen. Loofbomen en laaggroeiende struiken vormen het decor waarbinnen het zilveren lint zich afwikkelt. Op deze plek is de rivier al breed. Verderop, waar zij de landsgrens oversteekt, zal ze nog verder verbreden en via laagland uitmonden in zee.
Hoe het kan dat sommige gedeeltes in de watermassa sneller stromen dan andere, hij weet het niet. Het verklaart de contrasten van licht en donker, snelheid en ogenschijnlijke stilstand, en waar de rivier op hem een kalmerende werking heeft kent hij ook de verraderlijkheid van het krachtige water waartegen je spieren noch je lichaamstemperatuur lang bestand zijn.
Hij komt overeind uit zijn gehurkte houding, waarin hij met zijn armen stijf om zich heen geslagen zat – zijn benen prikken, zijn armen prikken, alles prikt.
De picknickende stelletjes en gezinnen hebben het toneel van het rivierstrandje verlaten. Vanaf zijn plekje in de uiterste hoek, waar het zand overgaat in de met groen bezaaide oever ziet hij alleen nog een vrouw. Ze draagt een witte opbollende blouse en een strakke rode rok. Ze vouwt met grote precisie een kleed op en hoewel de afstand tussen hen groot is, ziet hij dat zij het soort schoonheid bezit die slechts enkelen gegund is. Hij leest het af aan de zelfverzekerde bewegingen waarmee ze een grote rieten mand inruimt en aan het gebaar waarmee ze haar lange donkere haren in een rol in haar nek schikt. Haar ellebogen steken vrij naar buiten, haar handen bewegen sierlijk rondom haar hoofd. Ze bedwingt het dikke haar met een speld die ze tussen haar tanden geklemd hield. Haar lange bruine benen staan een beetje uit elkaar, haar rechter heup is scheef naar hem toegericht.
Om haar heen spelen kinderen. Ze doen tikkertje en de vrouw legt hen geen strobreed in de weg, ondanks het fijne zand dat opwaait door de snelle bewegingen van hun voeten. Dan is ze klaar met de voorbereidingen voor hun vertrek. Ze wrijft even met haar polsen over haar platte buik en heupen als om haar kleding te fatsoeneren – zo’n gebaar zag hij nooit eerder – en klapt dan in haar handen. Het geluid bereikt met een kleine vertraging zijn oren. Zij zijn met elkaar de laatste mensen op het strand.
Nu roept ze de kinderen, die niet op haar eerste signaal hebben gereageerd. Haar heldere stem klinkt vriendelijk en hij is verbaasd, meestal zijn Fransen niet zo ontspannen in de omgang met hun nakomelingen. Ze vertrekken, de vrouw voorop. Zij draagt de mand. De kinderen rennen wild om haar heen, een van hen botst tegen haar aan en hij hoort haar schaterlach, ziet hoe haar vrije hand het kind geruststellend over het hoofd aait. Ze lopen door, in de richting van de begroeiing waarachter hij de parkeerplaats weet.
Vlak voordat het troepje in de bosschages verdwijnt, kijkt de vrouw nog eenmaal om, zoals alleen moeders dat doen. Dan gaat haar aandacht terug naar de in vrolijke ganzenpas lopende kinderen. Nog even hoort hij hun stemmen speels kibbelen. Dat gaat ongetwijfeld over wie voorin mag zitten, wie in het midden, wie bij het raam. Dan volgt het geluid van de aanslaande motor van de auto en daarna wordt het stil.
Hij kijkt weer naar het water dat zonder blijk van herkenning terugkijkt. Het licht is nog aarzelend aanwezig. Hoe kan het dat de vrouw hem niet heeft opgemerkt? Is hij onzichtbaar geworden in de uren dat hij hier bewegingsloos heeft gezeten? Maakte hij in haar ogen deel uit van de entourage van de rivier? Zag zij hem aan voor een boomstronk, een menhir, een hoop stront wellicht? Hij stampt met zijn voeten op de grond om zijn bloed weer aan het stromen te krijgen. Zijn armen slaat hij wild uit, zijn handen flapperen als gemankeerde vleugels.

Hij moet terug, hij is al veel te lang weg, maar hij kan het niet. Nog niet. Hij raapt een grote gladgeslepen riviersteen op en gooit deze met alle kracht die hij bezit in de richting van het water. De harde tjoemp waarmee de steen in de koudglanzende rivier verdwijnt troost hem, gek genoeg. Haastig zoekt hij naar meer stenen, het zand voelt nu kil aan. Hij gooit systematisch; méér en harder en verder – TJOEMP, TJOEMP, TJOEMP.
Hij merkt dat hij huilt, dan hoort hij zichzelf schreeuwen. Het geluid van zijn stem weerkaatst tegen het harde wateroppervlak van de rivier die onaangedaan aan hem voorbijstroomt, op weg naar het laagste punt.

Groningen

Je rijdt over een binnenweg die door een in strenge voren geploegde leegte meandert. De horizontaliteit van het landschap wordt onderbroken door een boom – een door de oostenwind afgekloven kruin op een scheefgewaaide stam. Op een van de knokige takken kijkt een raaf met hoge schouders de lente uit de lucht.